Welzijn positioneren, twee voorbeelden uit de praktijk

Door Tim Robbe

Sinds de decentralisaties in 2015 zijn gemeenten druk met het transformeren van maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg. Van individuele, professionele zorgverlening als uitgangspunt (verzorgingsstaat), naar gemeenschappen die omkijken naar hun leden (participatiemaatschappij). Een onderdeel van deze visie is dat preventieve, algemene voorzieningen in wijken en dorpen de vraag naar individuele ondersteuning en zorg beteugelen. Gemeenten zijn daarom op zoek naar manieren om deze ‘welzijnsvoorzieningen’ goed te positioneren. Twee gemeenten hebben deze uitdaging op dezelfde wijze aangepakt, maar kwamen op twee verschillende instrumenten uit. Wat was hun gelijkluidende aanpak? En hoe kwamen de gemeenten tot afwijkende instrumenten?

De aanpak

Beide gemeenten – Oss en Westerkwartier – maakten gebruik van de methodiek die ik eerder uitwerkte. (1) Deze methodiek bestaat uit verschillende stappen om politieke besluitvorming over publieke vraagstukken uiteindelijk te concretiseren naar juridische instrumenten en werkpraktijken. Ik beschrijf hier kort hoe beide gemeenten deze stappen hebben doorlopen.

De eerste stap betreft het scherpstellen van taal. Zeker in het sociaal domein, en dus ook bij welzijn, is de gebruikte taal vaak vaag. Betrokkenen gebruiken dezelfde woorden voor verschillende begrippen, of gebruiken juist verschillende woorden voor hetzelfde. Dit kan tot verwarring leiden. Helemaal als gemeenten en welzijnsinstellingen pas in de uitvoering tot de conclusie komen dat zij elkaar verkeerd hebben begrepen. Mijn uitgangspunt is daarom dat gemeenten (als opdrachtgevers) eerst goed moeten nadenken over definities.

Ook de gemeenten Oss en Westerkwartier (hierna ‘de gemeenten’) zetten deze eerste stap. Zij verklaarden definities uit de Wmo 2015 en Jeugdwet en aanpalende regelgeving van toepassing. Zij bedachten dus niet zelf definities voor begrippen als ‘cliënten’ of ‘jeugdigen’. Voor begrippen die niet gedefinieerd waren in de wet raadpleegden zij de wetenschappelijke literatuur via Google Scholar. Denk aan ‘normalisatie’ en ‘demedicaliseren’. Als ook in deze literatuur geen definities waren te vinden, probeerden zij een begrip zo kort mogelijk te beschrijven met in de beschrijving alle benodigde elementen.

Na het scherpstellen van de taal, volgde het definiëren van het beleidsprobleem. Wat is nu werkelijk het probleem dat de gemeente wil oplossen? Politieke besluitvorming is vaak te vaag; hetzelfde geldt voor beleid. Daarom beschreven de gemeenten het probleem als een verschil tussen een huidige en een gewenste situatie, waarbij de gewenste situatie ook is te beschrijven als ‘in ieder geval anders dan de huidige situatie’. Beide situaties werden wel zo concreet mogelijk geformuleerd. Zowel op feitelijk materiaal (aantallen, bekende causale relaties, et cetera) als op normatieve oordelen (meningen over de feiten).

Om vervolgens te bepalen welke strategie het beste paste bij de probleemstelling was een typering van het probleem nodig. In het sociaal domein is vrijwel altijd sprake van een ‘wicked problem’, waarbij zekerheid van kennis ontbreekt (we weten niet goed hoe het probleem in elkaar steekt) en er weinig consensus bestaat over de normen (we zijn het niet met elkaar eens over de probleemstelling en/of de oplossing). De gemeenten typeerden het probleem door daarbij ook de zienswijzen van instellingen en burgers te betrekken. Een ‘wicked problem’ vraagt om voortdurend onderzoek doen (zowel in beleidsvorming als in uitvoering) en voortdurend draagvlak creëren (zowel in beleidsvorming als in uitvoering).

Meer weten?

Lees het hele online magazine ‘Gemeenten en preventie: welzijn aan zet?’ via onderstaande button.

Deel dit bericht:

Gerelateerd